Martin Verkerk

en de magie van gravel

Ooit begon de sport als lawn tennis, waarbij kortgeschoren gras de ondergrond was. Maar in Europa werkte het weer lang niet altijd mee en een beetje regen zorgde ervoor dat tennissen op gras al snel niet meer mogelijk was. Daarom deed gravel zijn intrede. Letterlijk gemalen baksteen werd op een bed van sintels aangebracht, gerold, gevlakt en gesleept.

De meeste tennissers in Nederland zijn opgegroeid op gravel en experts verklaren nog steeds dat het de beste baansoort is waarop je het kunt leren. Wat is dat toch met Nederlanders en gravel?

Walhalla

Kiki Bertens haalt haar beste prestaties op het gemalen baksteen en stond twee jaar geleden in de halve finales van Roland Garros, het walhalla van het gravel. Martin Verkerk deed het vijftien jaar geleden nog een stap beter toen hij heel Nederland aan zijn voeten kreeg en de eindstrijd bereikte.

Graveltennis kreeg in Nederland een gezicht door het toernooi op ’t Melkhuisje dat tot 1995 in Hilversum werd georganiseerd. Verkerk, tegenwoordig trainer op de WW in Den Haag, won het evenement in 2004 toen het verhuisd was naar Amersfoort. Wat is de magie van het terrarode gravel volgens hem?

Glijden

‘Ik ben net als zovele landgenoten opgegroeid op gravel. Mijn arsenaal met zware slagen vanuit het achterveld en een stevige kickservice kwamen op die ondergrond het best tot zijn recht. De magie is misschien dat je net ietsje meer tijd hebt dan op andere baansoorten en dat je erop kunt glijden. Daardoor haal je meer ballen en kun je langer in de rally blijven.’

Is er nog verschil tussen het gravel van ’t Melkhuisje of bijvoorbeeld in München of Parijs? ‘Nederlands en Duits gravel zijn iets grover. In Parijs speel je meer op poeder, het is fijner. De banen op Roland Garros zijn het summum, de allerbeste ter wereld. Maar die worden ook perfect onderhouden. Aan de andere kant maakte het mij niet uit hoe het gravel eruit zag. Ik voelde me er altijd op thuis.’